Nette Sjamaar.


De van Ginckels van Amersfoort

   

De landstreek waarin de stad Amersfoort ontstond droeg omstreeks het jaar 800 de naam  ‘Flethite’ en was een gouw.

Een gouw is een territoriaal en institutioneel onderdeel van een Germaans stamgebied. Toen het Frankische Rijk in de zevende en achtste eeuw zijn gezag over de Nederlanden uitbreidde, vormden ze bestuurseenheden in het rijksverband onder vorm van gouwgraafschappen.

In 777 schonk Karel de Grote een aantal landgoederen en woeste gronden aan de bisschoppelijke kerk te Utrecht, daarbij behoorden o.a. het landgoed Randenbroek - nu stadspark van Amersfoort, het landgoed Lisiduna - nu Leusden, de Ginckels - doorgaanbare gebieden en de voorden - doorwaadbare plaats in beek of rivier. De bisschop beleende een aantal landgoederen aan leenmannen, die hem een eed van trouw en steun zworen. De mensen, die op het leengoed woonden vielen onder het gezag van de leenman.

Maar hoe meer het land droog viel hoe meer mensen zich er zelfstandig kwamen vestigen. Toen m.n. op en rond de Voorde in de Amer (nu: de Eem) een levendige handelsplaats ontstond besloot de bisschop van Utrecht zijn troepen daar permanent te vestigen om te voorkomen dat de ‘Heren van Gelre’ hun grenzen zouden verleggen. Amersfoort is dus vanaf zijn ontstaan tot in de twintigste eeuw een belangrijke garnizoensstad geweest. En de eerste ‘Heren van Amersfoort’ waren leenmannen van de bisschop. De bisschop van Utrecht  is  in die tijd ook een wereldlijk vorst  met het gezag over  ’t Sticht, Oversticht, Drenthe en Groningen. Hij had dus een kundig en groot leger en veel trouwe leenheren nodig. Zeker in dit onduidelijke grensgebied.

Gunstig gelegen aan de Eem, een belangrijke transportweg naar de (Zuider)zee, een grens en garnizoensstad, veel kloosters en de scholen en landerijen, die bij die kloosters hoorden, groeit Amersfoort al snel uit tot een van de meest welvarende plaatsen in deze streek.

Er ontstaat een bloeiende bombazijn en lakenindustrie en het schone water uit de vele bronnen maakt het bier beroemd tot in Amsterdam en Friesland. In 1259 krijgt stadsrechten van de bisschop en mag dus zelf recht gaan spreken, zichzelf verdedigen en  zijn eigen bestuurders benoemen.

In 1444 gebeurt er een wonder bij een eenvoudig Mariabeeld, dat uit de buitensingel is opgevist. Al snel trekt de roem van ‘Onze Lieve Vrouwe van Amersfoort´ bedevaartgangers van heinde en verre aan. Amersfoort werd door de paus erkend als pelgrimsstad en er kwam een officiële pelgrimspenning. Ook dit heeft de stad geen windeieren gelegd.

In het begin van de zeventiende eeuw kwam de tabaksbouw in Amersfoort

Na de oogst droogde men de tabaksbladeren in langwerpige schuren. Op  deze ets ziet men zo'n tabaksschuur afgebeeld.

De duidelijk zichtbare sleuven dienden voor het toelaten van de voor het droog­proces noodzakelijke lucht.

De grote deuren lieten het binnen rijden met wagens toe. 

De manden staan buiten de schuur.


In de vorm waarin hij in en om Amersfoort werd beoefend kan men beter van tuinbouw dan van landbouw spreken. Aangezien de tabakscultuur, hoewel zelfs binnen de stad uitgeoefend, tot het agrarische bedrijf behoorde, was zij niet gebonden aan gildenreglementen. Toen in het begin van de zeventiende eeuw de bierbrouwerij en de lakennijverheid hun vroegere betekenis voor de stedelijke welvaart hadden verloren, kwamen veel kapitaal en arbeidskracht vrij voor de nieuwe bedrijfstak, die hier waarschijnlijk door Engelsen en Schotten werd ingevoerd (in hun eigen land was sedert 1604 de verbouw van tabaksplanten niet meer toegestaan). Het oudst bekende contract tot oprichting van een compagnie voor de tabaksbouw werd gesloten in 1625 tussen een Amersfoorts burger, een Amsterdamse koopman, die het kapitaal verschafte, en een Engelsman, die de technische kennis en vaardigheid in­bracht. De bodemgesteldheid ten noorden, oosten en zuiden van de stad, te weten zand met klei vermengd, was heel gunstig voor de tabakscultuur. Naast deze gunstige natuurlijke voorwaarden was er de behoefte van welgestelde burgers aan kapitaalbeleggingsobjecten. En zo zou de tabakscultuur vanaf begin 1600 tot halverwege de 19e eeuw een belangrijk stempel op deze stad en haar omgeving drukken.  

Tabaksschuur op de Utrechtse heuvelrug


Rond 1640 - 1650

Cornelia van Ginckel
Rond 1640 - 1650 krijgt Jan, de zoon van een welgestelde boer uit de Ginckel, zijn erfdeel en besluit naar de stad te trekken om daar land te kopen en tabak te gaan telen.
De tabaksteelt is in volle bloei en het gaat hem goed. Hij wordt een vooraanstaand burger van Amersfoort, trouwt en krijgt meerdere kinderen waaronder een zoon Anthonij Jansz. en een dochter Jannetje. Zijn zoon werkt mee in het bedrijf en neemt het na de dood van zijn vader over. Inmiddels is de naam 'van Ginckel' zijn officiële achternaam geworden.
Ook hij trouwt en krijgt 5 kinderen: Jan, Evert, Margaretha, Evertje en
Cornelia van Ginckel

 

Adam Rijkenberg

In Europa ontstonden in de middeleeuwen Waldglashütte in de hogere en dicht beboste gebieden. Op deze plekken waren nl. de grondstoffen en de verschillende soorten hout voor de ovens direct binnen handbereik.

Hier leefden dus kleine gemeenschappen, bestaande uit goed geschoolde ambachtslieden, arbeiders, hun echtgenoten en kinderen.

Glasmakers maakten zowel gebruiksglas, als sierglas, zoals gebrandschilderde ramen en wapens.

De glasmeester was heer en meester van deze gemeenschap.  De functie van glasmeester en alle nevenfuncties, die erbij hoorden, was erfelijk.

 

Adam kwam uit een familie van glasmeesters, zowel zijn grootvader als vader en de zuster van zijn vader waren bekende glasmeesters.

Waldmünchen - Schmalzgrub

De kleine gemeenschap van glasmakers, hun gezinnen, hun personeel, hun vee, hun landbouw e.d. leefden in de bergen en dat van de Reichenbergers heette ‘Schmalzgrub’. De dichtstbijzijnde stad was Waldmünchen, in Beieren dus. Beieren hoorde in die tijd bij het Heilige Roomse Rijk. En er waren vele oorlogen, zeker in dit grensgebied.

Zowel de vader van Adam als zij zuster stierven kort na elkaar toen Adam nog geen 10 jaar oud was.

Er was dus geen meester meer en men kan aannemen dat de Glasmakerij al snel in andere handen kwam. Zijn moeder trouwde 3 maanden later met een rijke boer uit de omgeving. En vertrok met haar kinderen uit de Schmalzgrub.

Het was dus niet ongewoon dat Adam - toen hij volwassen werd en zijn erfdeel kreeg – weg trok uit dit gebied Hij was geen opvolger in een bedrijf, hij had geen land, Hij was katholiek en in dat grensgebied waren in die tijd voortdurend (godsdienst) oorlogen. Hij vertrok dus, samen met een vriend.

Dat hij uiteindelijk in Amersfoort bleef hangen is ook niet verwonderlijk. Amersfoort was in die tijd een welvarende handelsstad met een gegoede burgerij. De jongemannen zullen welkom geweest zijn.  Ook was Amersfoort in die tijd - zelfs voor de als tolerant bekend staande Lage Landen - een tolerante stad. Protestanten van verschillende richtingen, katholieken, joden; in Amersfoort leefde men naast elkaar binnen de poorten, en religies, die officieel niet toegestaan waren werden, zeker in hogere en rijke lagen van de bevolking, minstens gedoogd.

Adam en Cornelia

Hij komt er Anthony van Ginckel tegen, een rijke tabaksteler met veel grond en goederen en ook katholiek. Dat hij met de jongste dochter in het huwelijk gaat treden is dus een mooi einde van zijn avontuur en het nieuwe begin van een groot geslacht.

 trouwakte

Ze trouwen op vrijdag 13 juni 1708 voor het gerecht. De eerste jaren blijven ze in Amersfoort en krijgen er twee zoons, Antony en Michaël, die beiden in ‘de Elleboogkerk’, een schuilkerk, worden gedoopt.

Maar blijkbaar blijft het nieuwe land toch trekken en ze verhuizen naar Noord-Holland en blijven een aantal jaren in Weesp. Daar wordt in 1712 Petrus geboren, die al jong overlijdt. Daarna komen Maria - 1714, Gertrudis - 1716, Petrus, die Pieter wordt genoemd - 1719, Aaltje - 1721, Bernardus - 1723 en Sijmetje in 1726. Ook Sijmetje is al als kind overleden.

In 1728 sterft de vader van Cornelia en laat zijn vijf kinderen, veel land, goederen en geld na. Het land en de goederen worden verkocht en alle zonen en schoonzonen kregen hun deel.


Uit het notarieel archief Amersfoort.

Erflater,

ANTHONY VAN GINCKEL

Datum niet vermeld

Huysinge met den hoff en schuur daar achter aan de Slijkstraat naast het Blockland Gasthuijs; 5 Vierendeel tabaxland buiten de Slijkpoort, een gelatte tabaxschuur met 9 binten met spijlen, pomp en tabaxkist, van de Leusderweg tot aan het steegje of Grote Haick noordelijk van het Pieters Gasthuis; 1 Dammaat tabaxland bij de voetstoot buyten de Slijkpoort even over de papensteeg.

Verkoping: 03-02-1728 S. van Brinckesteyn AT 030b004

Erfgenamen, zoons en schoonzoons:

Jan van Ginckel (mr. kistemaker), gehuwd met Fennitje Rijcken van Stuijvenbergh;

Evert van Ginckel (bakker), gehuwd met Geertruijt Botter; 

Adam Rijkenberch, gehuwd met Cornelia van Ginckel;

Hendrik Siecker, gehuwd met Margareta van Ginckel, tot Amsterdam;

Gijsbert van Waterdaal, gehuwd met Evertje van Ginckel.


In 1728 sterft de vader van Cornelia en laat zijn vijf kinderen, veel land, goederen en geld na. Het land en de goederen worden verkocht en alle zonen en schoonzonen kregen hun deel. Het lijkt waarschijnlijk dat Adam toen een stuk land in de net nieuwe Purmer heeft gekocht. Hun elfde en laatste kind Margaretha wordt op 17-01- 1730 in Purmerend geboren en daar katholiek gedoopt.


In mei 1746 overlijdt Adam Rijkenberg in Purmerend en in februari 1758 overlijdt Cornelia van Ginckel zijn weduwe. Ze zijn beiden in Purmerend begraven. 
Hun kinderen, waarvan zes zonen, zijn dan al uitgevlogen over de Purmer en de Beemster en ook zij hebben grote katholieke gezinnen.

Adam en Cornelia zijn dus de stamouders van een geslacht van grootgrondbezitters, uitstekende ambachtslieden en prima zakenmensen.


Parenteel van Anthony Jansz  van Ginkel


Voor aanvullingen en reacties naar,

Nette Sjamaar


Kijk ook op de nieuwe site van Nette Sjamaar.

http://www.familiekronieken.eu/familiekronieken/pagina's




Historisch en tabaks museum Amerongen.


Naar inhoud.


20-02-2008